Ik probeer haar gebit eruit te krijgen terwijl ze over m’n handen kotst. Ze zweet behoorlijk en geeft herhaaldelijk over. Ik heb haar net in een stabiele zijligging gelegd. M’n telefoon gaat, mvr op nr 116 belt weer.
Kan je even een handdoek aangeven zeg ik tegen m’n collega. Ik veeg de kots weg. Mn telefoon gaat, 116.
Inmiddels heb ik haar gebit eruit gekregen, ze geeft weer over. Ik wrijf een washandje over haar hoofd en leg een nieuwe handdoek onder haar. De dokter komt, stelt vragen en begint met voelen, meten en contact maken maar mevrouw is begonnen aan haar reis. De dokter wilt mevrouw uit de badkamer, we verplaatsen haar. Later begrijp ik waarom, het is geen fijne plek om te overlijden.
Na enige tijd, kom ik wat gehaast binnen. Mevrouw u had gebeld? Mevrouw op 116 foetert en is boos. Vind het schandalig dat ze zo lang moest wachten en laat dit op niet misverstane woorden merken. Excuses, waar kan ik u mee helpen? Ze heeft geen idee wat de reden is voor mijn laat komen en ik vertel het ook niet. ‘Wil je mijn steunkousen aantrekken’ snauwt ze. Hoevaak weten we niet wat een ander doormaakt, welke strijd ze voeren terwijl de wereld doordraait, bedenk ik me. Iedereen voert een strijd, klein of groot. Nu of later.