Je bent nog maar kort op de groep, vrolijk mannetje. Gedragsproblemen. Maar vrolijk. Nu hoef ik je maar 8 uur te begeleiden en snap dat je moeder de gedragsproblemen niet zal omschrijven als vrolijk. Jullie hebben veel meegemaakt samen.
Het ging weer niet eens goed thuis, vandaag je wordt eerder terug gebracht in plaats van nog een nacht thuis mogen slapen. Je zal maar niet thuis mogen slapen als 11 jarig kind. We gaan lunchen maar aan tafel maak je direct ruzie met een huisgenoot. Ergens moet de spanning uitkomen, helaas is je tafelgenoot het meest dichtbij. Escalatie volgt.

Je eindigt in de separeer, je polsen in de klem. Het spijt me. Ik snap je. Ik zie je en voel je pijn en onmacht. Je weekend ging niet door, je moeder boos, weer een negatieve bevestiging, weer falen, hoeveel krassen kan een kind aan. Straks ben je weer vrolijk. Druk en gedragsproblemen maar je zegt, ‘meneer zeg eerlijk als ik op weekend ben is het toch saai hier’.
Savonds doe ik mijn rondje avondmedicatie geven en kinderen helpen met hun bedritueel. Ik loop langs je kamer, je vrolijkheid is weg, je ligt onder de dekens te huilen. Ik snap je, ik voel je pijn. Kerel, ik kom even je medicatie geven. Je gaat even rechtop zitten. Ik geef je een glas water en je pillen tegen epilepsie. Je neemt ze in en vraagt me, terwijl je ogen nog rood zijn van de tranen,

‘Meneer, heb je ook zo’n pil voor als je je moeder mist?