Haar armen vol met krassen. Ze bloed en schreeuwt. Ze heeft stemmen en nachtmerries zegt ze. Ze is nog maar een kind.
Ik praat rustig tegen haar in maar ze schreeuwt oprotten en gilt. Ze heeft een kat, ik vraag aan haar kat of ze wat wil eten en aai het beestje. ‘Hij heeft al gegeten’ zegt ze ineens iets rustiger. Ok, nou ik denk dat hij gewoon wat aandacht wil zeg ik. Iedereen heeft wat aandacht nodig. Ze huilt. Ik pak wat pleisters, doekjes en handschoenen en leg dat neer zodat ze het kan zien en roep een collega erbij. Ze is gekalmeerd maar van haar stemmen mag ze geen hulp aannemen. ‘Ik ben spietsofreen’ zegt ze. Het woord kan ze niet goed uitspreken en volgens mij heeft ze geen idee wat het betekend. ‘ik ben bang zegt ze, als ik zo ben gaat hij (de kat) weg rennen, zegt ze. Dan is hij ook bang zeg ik, iedereen is wel eens bang.
We maken de wondjes schoon maar we helpen je niet hoor zeg ik. Dat mag niet dus doen we ook niet zeg maar. Ze gaat naar bed met de kat op bed. Die beschermt mij zegt ze. Ik blijf nog even de spullen opruimen en ze kijkt soms of ik er nog ben. Ik ga even zitten op een stoel waar ze me kan zien en begin op m’n telefoon te noteren wat zojuist is voorgevallen. Als ik bijna klaar ben met schrijven zie ik dat ze slaapt, de medicatie is gaan werken. De kat is nog wakker. En ik overigens ook nog wel even. Als mijn slaapdienst morgenochtend over is dan knuffel ik mijn kinderen nog even extra als thuiskom. Zij hebben vast ook geen idee waarom ik ze extra knuffel. Ze zijn nog maar kinderen gelukkig.